Rubensvrouw

Het geluid van de rinkelende flessen op de stenen vloer is oorverdovend als hij zijn voet op de grond zet. Herbert krimpt ineen, zijn ogen stijf dichtknijpend. Harde geluiden is hij nog steeds niet gewend. Hij voelt zijn hart kloppen, log en zwaar. Dik bloed bonst in zijn hoofd. Met een zucht doet hij langzaam zijn ogen open. Niet dat het veel uitmaakt want is het is pikkedonker in zijn gehuurde huisje. Uit het borstvak van zijn overhemd met korte mouwen vist hij een pakje sigaretten, platgedrukt maar nog wel te roken. Hij durft zijn voet niet meer te bewegen uit angst voor meer lawaai. Hij blijft zitten op de bank waarop hij in slaap is gevallen. Rokend luistert hij naar de nachtelijke geluiden van de jungle waarvan hij wakker werd.
Hoe lang zou het duren voordat mijn geld op is, of voordat ze me oppakken? Hij inhaleert diep en gniffelt. De jongste telg, conservator van de familie-eigendommen. Zelf had hij niks. Hij was het buitenbeentje.
‘Pappi? Cuenco del sueño, extraño.’
Even kijkt hij verbluft in het donker naar de bron van het geluid. Hij zet zijn bril op die aan een koortje om zijn nek hangt en op zijn dikke buik rustte. Hij is vergeten dat hij niet alleen is. Wat zei ze eigenlijk? Geen idee, maar het maakt hem helemaal niets uit. Hij begint te lachen. Hard en onbedaarlijk.
‘You crazy pappi!’
Herbert kan niet meer stoppen. Hoe lang is het geleden dat hij zo hard heeft gelachen? Hij ligt languit achterover op de muffe sofa. Hij giert het uit totdat hij er bijna in stikt. Niet zo gek als je bijna twintig jaar geen sigaret hebt aangeraakt en nu ineens een pakje per dag rookt.Jarenlang mocht hij niks aanraken, alleen maar zorgen voor de familieschatten. In stilte. De wandeling in de koude Hollandse nacht langs het spoor lijkt een eeuwigheid geleden. Op het laatste moment kreeg hij een ingeving. Nu baant hij zich een weg tussen lege flessen door naar een krakkemikkig bed in Zuid-Amerika Hij gaat naast de señorita liggen, ze is lekker warm. Hij gaat met zijn hand langs haar zachte benen en billen, beter nog dan de Rubensvrouw die hij elke dag zag. En juist dat schilderij, het pronkstuk van de familie, heeft hem alsnog de gelukkigste man op aarde gemaakt.